Nieuw chemisch onderzoek aan sedimenten uit het Turkanabekken in Oost-Afrika zet het bestaande beeld van de vroege menselijke evolutie op zijn kop. Waar lang werd aangenomen dat natte klimaatperiodes natuurbranden doofden, bleken hevige moessons 1,75 miljoen jaar geleden juist extra bosbranden aan te jagen. Doordat de regenval voor een overvloed aan plantengroei zorgde, ontstond er een enorme hoeveelheid brandstof voor het vuur. Deze herhaaldelijke toename van natuurbranden dwong onze voorouders tot grotere mentale flexibiliteit, wat een belangrijke drijfveer kan zijn geweest voor het vroegste gebruik van vuur en geavanceerde werktuigen.
- Onderzoek in het Turkanabekken toont aan dat hevige moessons 1,75 miljoen jaar geleden leidden tot meer in plaats van minder bosbranden.
- Extra plantengroei door regenval bood brandstof voor frequente natuurbranden, wat ‘vuurverzamelen’ door vroege mensachtigen vergemakkelijkte.
- De ecologische schommelingen vallen samen met de opkomst van verfijnde Acheuleaanse vuistbijlen en vroeg menselijk gedrag.
Van een dicht bos naar een grillig moessonklimaat
Onderzoekers onder leiding van Rachel Lupien van de Universiteit van Aarhus in Denemarken analyseerden chemische sporen in sedimenten die zich over een periode van 21.000 jaar vormden. De sporen uit oude plantenwassen en verbrandingsresten maken het mogelijk om regenval, vegetatie en de intensiteit van bosbranden uit die tijd nauwkeurig te reconstrueren.
Uit de gegevens blijkt dat het landschap gedurende de eerste 5000 jaar van de onderzochte periode voornamelijk uit bos bestond, waarin zelden branden uitbraken. De daaropvolgende 5000 jaar werd het klimaat aanzienlijk wisselvalliger, met een afwisseling tussen zeer droge graslanden met incidentele branden door blikseminslag en natte bosgebieden. In de laatste fase van de studie nam de regenval sterk toe en ontstonden er moessonomstandigheden. Verrassend genoeg steeg daardoor ook het aantal bosbranden fors: de extra vegetatie die door de regen groeide, diende als brandstof voor de vlammen.
Kansen voor vuurgebruik en geavanceerde werktuigen
Het Turkanabekken staat bekend om de rijkdom aan fossielen en archeologische vondsten van mensachtigen, zoals Homo erectus, die ongeveer 2 miljoen jaar geleden verscheen. In dezelfde periode waarin de bosbranden toenamen, zo’n 1,76 miljoen jaar geleden, duiken in de aardlagen ook de eerste ‘Acheuleaanse’ werktuigen op. Dit waren veelzijdige, verfijnde vuistbijlen die werden gebruikt voor zowel de jacht als het verwerken van planten.
Het constante aanbod van natuurlijke branden bood vroege mensachtigen waarschijnlijk de kans om te experimenteren met vuur voordat ze het zelf konden maken.
Volgens co-auteur Matt Grove van de Universiteit van Liverpool is het aanhouden van een bestaand vuur door er takken aan toe te voegen veel eenvoudiger dan zelf vuur maken. Zo konden mensachtigen via ‘vuurverzamelen’ – het oprapen van geroosterde dieren of planten – profiteren van de voordelen van gekookt voedsel lang voordat ze zelf vonken konden produceren.
Ondersteuning voor de variabiliteitshypothese
De bevindingen bieden concrete ecologische ondersteuning voor de zogeheten ‘variabiliteitshypothese’, die in de jaren negentig werd geïntroduceerd door Rick Potts van het Smithsonian Institution. Deze theorie stelt dat snelle en ingrijpende milieuveranderingen de menselijke evolutie hebben aangewakkerd doordat ze een groter aanpassingsvermogen vereisten.
Hoewel directe sporen van vuurgebruik in Turkana dateren van ongeveer 1,5 miljoen jaar geleden, laten andere plekken, zoals de Wonderwerkgrot in Zuid-Afrika, zien dat vuurgebruik tussen 1,07 en 1,79 miljoen jaar geleden al voorkwam. De nieuwe chemische gegevens tonen aan dat hevige, periodieke natuurbranden een cruciale rol speelden in de omgeving waarin onze voorouders hun gedrag en technologie ontwikkelden.
Denkt u dat klimaatverandering ook nu de menselijke innovatie zal versnellen, of waren onze voorouders beter bestand tegen ecologische schommelingen? Laat uw reactie hieronder achter.































