Een grootschalige studie door de Britse Aston University en zorgadviesbureau Alpharmaxim toont aan dat medisch specialisten niet automatisch de nieuwste medicijnen voorschrijven aan patiënten met neurodegeneratieve ziektes zoals Parkinson. Hoewel de wetenschappelijke onderbouwing voor een nieuw geneesmiddel soms ijzersterk is, laten 279 ondervraagde Europese zorgverleners hun beslissing grotendeels leiden door psychologische en contextuele factoren. Zo spelen eerdere negatieve ervaringen, ingesleten gewoontes en onzekerheid over de uitkomst een grote rol. Hierdoor is de kans dat een pas gediagnosticeerde patiënt de nieuwste behandelmethode krijgt in de praktijk opvallend klein.
- Onderzoek onder 279 Europese zorgverleners toont aan dat klinisch bewijs alleen vaak onvoldoende is voor de acceptatie van nieuwe medicijnen.
- Patiënten in een vroeg ziektestadium krijgen meestal traditionele medicatie, terwijl nieuwe middelen vooral bij gevorderde ziekte worden ingezet.
- Vier hoofdacceptatiefactoren beïnvloeden de beslissing: zelfvertrouwen van de arts, voorschrijfmogelijkheden, motivatie en de bereidheid tot verandering.
Psychologische drempels bepalen de keuze van de behandelend arts
Het onderzoek maakt duidelijk dat het in gebruik nemen van een nieuw geneesmiddel net zo goed een vraagstuk van gedragsverandering is als een medische doorbraak. Bij het behandelen van Parkinson grijpen behandelaren vaak terug op traditionele middelen, ondanks dat deze bekende bijwerkingen hebben. De fase waarin de ziekte van een patiënt zich bevindt, blijkt hierbij bepalend. In de vroege stadia houden artsen zich strikt aan bestaande richtlijnen en routinevoorschriften. Pas wanneer een ziektebeeld vordert, neemt de bereidheid toe om een moderner of alternatief middel uit te proberen.
Volgens de onderzoekers is de kans dat een nieuw gediagnosticeerde patiënt het nieuwste en mogelijk betere medicijn voorgeschreven krijgt gemiddeld vijftig procent, wat in feite neerkomt op het opgooien van een muntje.
Wetenschappelijk bewijs volstaat niet zonder gerichte ondersteuning
Uit de analyse komen vier pijlers naar voren die het voorschrijfgedrag sturen: het vertrouwen van de arts in de eigen vaardigheden, de feitelijke mogelijkheid om voor te schrijven (zoals toegang tot het middel en officiële richtlijnen), de motivatie en de bewuste bereidheid om over te stappen. Dit betekent dat het beschikbaar komen van een innovatieve therapie op papier geen garantie biedt dat patiënten hier in de spreekkamer ook direct van profiteren. Voor zorginstellingen houdt dit in dat het simpelweg verstrekken van onderzoeksgegevens niet volstaat om de zorgpraktijk te vernieuwen.
Gerichte training en duidelijke richtlijnen moeten uitkomst bieden
Om de drempel voor het voorschrijven van nieuwe medicatie te verlagen, stellen de onderzoekers dat strategieën gericht moeten zijn op het beïnvloeden van de intentie van de arts. Dit kan door het bieden van doeltreffende trainingen, beslissingsondersteuning en heldere, toegankelijke richtlijnen. De uitkomsten van dit drie-delige onderzoeksprogramma vormen de basis voor een diagnostisch hulpmiddel, het Healthcare Behavioural Insights Tool (H-BIT). Hiermee kunnen organisaties beter in kaart brengen waar de gedragsbarrières bij zorgverleners liggen en hoe gerichte communicatie kan helpen om patiënten sneller toegang te geven tot de meest geschikte behandeling.
Vindt u dat artsen sneller moeten overstappen op vernieuwende medicijnen, of begrijpt u de terughoudendheid bij vertrouwde behandelmethodes? Deel uw mening hieronder.































